"Het ijs ligt er goed bij" zegt helemaal niets. De enige manier om te weten of natuurijs je draagt, is meten. Gelukkig is dat simpel, snel en heb je er geen dure spullen voor nodig. Deze gids laat zien hoe je het aanpakt.
Wat je nodig hebt
- Een ijsboor, houtboor (speedboor) of kleine bijl: alles waarmee je een net gat door het ijs krijgt. Een accuboormachine met lange houtboor werkt uitstekend.
- Een meetlint of duimstok, of een stok met streepjes op 5, 10 en 15 cm.
- IJspriemen om je nek en iemand die op je let: je meet per definitie op ijs waarvan je nog niet wéét of het je draagt.
Er bestaan ook haakvormige ijsdiktemeters die je door het boorgat steekt en onder de ijslaag haakt; handig, maar een duimstok met een haakje aan het uiteinde doet hetzelfde.
Zo meet je veilig
- Begin vanaf de kant. Test het ijs vlak voor de oever eerst met gewicht (een voet, leunend op een stok) voordat je erop stapt.
- Boor of hak je eerste gat op één à twee meter uit de kant. Draagt het daar al geen 10 cm, dan hoef je verder niet te kijken.
- Meet de dikte van het échte ijs. Haak je meetlint onder de onderkant van het ijs en lees af bij het oppervlak. Tel alleen hard, zwart ijs; sneeuwijs of sponzige lagen tellen hooguit half mee.
- Herhaal elke 25 à 50 meter, en extra bij verdachte plekken: bruggen, riet, duikers, donkere of juist witte vlekken. IJsdikte kan binnen korte afstand halveren.
- Werk met z'n tweeën: één meet, één blijft op afstand staan met een lijn.
Welke dikte is genoeg?
| Dikte (goed, zwart ijs) | Wat kan er? |
|---|---|
| minder dan 10 cm | Niet betreden |
| 10 cm | Vuistregel voor schaatsers (KNSB-vuistregel) |
| 12–15 cm | Kleine groepen, toertochten (Elfstedentocht: 15 cm) |
| 20 cm en meer | Grote groepen en evenementen |
Let op: dit geldt voor zwart ijs van goede kwaliteit. Wit ijs of melkijs is ongeveer half zo sterk: 10 cm wit ijs behandel je dus als 5 cm. Bomijs (holle klank, lucht onder het ijs) vertrouw je nooit, ongeacht de dikte. Meer over de soorten ijs: Hoe ontstaat natuurijs?.
Veelgemaakte fouten
- Eén meting doen en klaar. Het gaat juist om de zwakste plek, niet om de sterkste.
- De dikte schatten aan de rand. IJs aan de oever zegt weinig over het midden: daar is het vaak dunner.
- Sneeuwijs meetellen. De witte bovenlaag ziet er dik uit, maar draagt nauwelijks.
- Bij dooi op oude metingen vertrouwen. Een paar uur zon of zachte wind maakt van 12 cm draagkrachtig ijs een sponzige laag. Meet opnieuw.
- Meten zonder ijspriemen. Juist bij het meten begeef je je op onbewezen ijs.
Help ook anderen: meld je meting
Heb je gemeten? Op de locatiepagina's van de ijskaart kun je een melding doen, mét gemeten dikte. Daar help je andere schaatsers enorm mee: meldingen met een gemeten dikte wegen zwaarder mee in de status van een locatie dan een schatting op afstand. Zo wordt de kaart elke winter een beetje betrouwbaarder, al blijft gelden: de status op de kaart is een hulpmiddel en vervangt je eigen meting nooit. Zie Wat betekenen de statussen op de ijskaart?.
Samengevat
Meten is een kwestie van een boor, een duimstok en vijf minuten werk. Tien centimeter zwart ijs, gemeten op meerdere plekken. Minder mag het niet zijn. En deel je meting op de kaart, zodat de volgende schaatser niet blind hoeft te varen op "het ligt er goed bij".